Verpletterend, briljant

Piet Gerbrandy heeft de tijd genomen voor zijn recensie van Tussentijd in de eerste Nederlandse Boekengids van 2018 en dat betaalt zich uit in meer inzicht in het boek. Hij is duidelijk gegrepen door het werk. ‘Drie jaar diende Jones in de loopgraven, daarna kostte het hem bijna twintig jaar om een vorm te vinden die geschikt was voor wat hij erover wilde zeggen. Het resultaat is een zinderend prozagedicht in zeven delen, aangevuld met wonderlijke aantekeningen die vaak niet zozeer iets verklaren als wel het web van associaties vergroten en compliceren. Dat Hans Kloos erin geslaagd is het werk in swingend en indringend Nederlands te vertalen is niet minder dan een heroïsche prestatie, zeker omdat Jones vaak binnen één zin van stijlregister wisselt: verheven epiek, ambtelijk jargon, populaire liedjes en grove soldatentaal lopen voortdurend door elkaar.’

...Abel toen zijn broer hem vond

…Abel toen zijn broer hem vond – Kaïn doodt Abel, Jan Harmensz. Muller, naar Cornelis Cornelisz. van Haarlem, 1587 – 1591 (collectie Rijksmuseum)

Wat in deze bespreking vooral naar voren komt is de continuïteit en de breuk. In het oorlogsbedrijf, zoals Jones zelf ook in zijn inleiding en noten keer op keer beklemtoont. En in literaire zin.
Die voortgang van een traditie komt sterk naar voren in de zogenaamde grootspraak van Dai Overjas, een lyrische evocatie van momenten en personen uit het krijgsverleden waarmee de grootspreker zichzelf en zijn strijdmakkers verbonden weet. Gerbrandy haalt het begin ervan aan. Ik citeer hier een iets langer stuk:

    Mijn vaderen35 stonden aan de zijde van de Zwarte Vorst van Wales
bij de toorn
van de blinde Boheemse koning.
Zij dienden op deze velden,
het staat in de historiën voor u te lezen, korporaal — jongens van Gower waren ze — het staat geschreven — jawel.
    En Methusalem dan, Daaf?
Ik was bij Abel toen zijn broer hem vond,
onder het groene hout.
Ik bouwde een schijthuis voor Artaxerxes.A
Ik was de speer in Balins hand
        die koning Pellams land tot een woestenij maakte.
Ik pakte de gladde stenen uit de beek,
ik was bij Saul
en speelde voor hem.
Ik zag hem gewapend als Derfel Gatheren.B
Ik het voslopend vuur
                dat verteert op het tarweland;
en in het staande graan van Cantium een poging deed tot een opstelling — (tussen donkere augustuseiken schoten hun bonte lijven heen en weer)C

En zo gaat het zo’n vijf bladzijden lang door van de allereerste moord tot aan een heel nabij verleden waarin Britse, bijbelse, Griekse, Romeinse, Europese, Perzische, Afrikaanse, Indiase, Russische geschiedenis allemaal aan elkaar geregen worden in een vorm die traditie is en er tegelijk mee breekt.

In zijn noten – voor deze vijf bladzijden maakt hij zelfs een eigen notenapparaat met letters in plaats van cijfers – geeft Jones aan dat de grootspraak een oud literair genre is dat al bekend is uit de bijbel en andere klassieke werken. Zelf heeft hij zich hier onder andere laten inspireren door de mythische Welshe bard Taliesin en door de woorden van Jezus uit Johannes 8:58. En in de taal klinken ook echo’s uit de oude literaturen, maar in de wilde, lyrische, niet rijmende vorm breekt hij met alle voorgaande tradities. Dat is de kracht van dit werk, dat het de breuk laat samengaan met het voortzetten van de traditie.

De classicus Gerbrandy ziet ook de verbanden met de klassieke mythologie en literatuur. In de ‘koningin van het woud’ herkent hij de wrede godin Diana. En in de passages waarin zij voorkomt, ziet hij dat Jones ‘de verschrikkingen van de oorlog koppelt aan pure, zelfs tedere schoonheid, waarmee hij zich een waardig erfgenaam van Homerus betoont’.

En die voortzetting en breuk vindt ook plaats in het krijgsbedrijf van de Eerste Wereldoorlog, zoals Gerbrandy terecht opmerkt: ‘De oorlog had iets gewoons, iets rommeligs. Dat veranderde in 1916, toen het grote verdelgen begon. Tussentijd laat zien hoe een in de menselijke natuur ingebed verschijnsel onverhoeds omslaat in een onthutsende machinerie die aan elke humaniteit een einde maakt, waarbij niettemin de mogelijkheid wordt opengelaten dat Moeder Aarde ook deze puinhoop weer in zich zal opnemen. Dit is een verpletterend boek, in een briljante vertaling.’

Wie wil kan hier Gerbrandy’s volledige recensie lezen: https://www.athenaeum.nl/leesfragmenten/2018/de-nederlandse-boekengids-2018-1
En hieronder kun je een redelijk ingehouden Michael Sheen de grootspraak uit het origineel horen voordragen met het Welshe accent van Dai’s geboortegrond die ook de zijne is.

11 november

‘Neem 11 november. Voor Nederlanders een dag als alle andere, of de dag waarop het begin van het camavalsseizoen gevierd wordt. Bij onze zuiderburen daarentegen, heeft die dag een heel andere lading. Daar waar de loopgraven liepen, leeft het besef van wat ’De Grote Oorlog’ aanrichtte wel, en wordt op 11 november de wapenstilstand van 1918 herdacht.
Wie de kerkhoven in de Vlaamse Westhoek bezoekt — de Duitse evenzeer als de geallieerde — krijgt er iets van rnee. Wie dat niet kan, maar er toch iets van wil ervaren, doet er goed aan Tussentijd eens te lezen.’ Zo opent een lovende recensie in het Katholiek Nieuwsblad van een dag eerder.

11 november 1918, vreugdetaferelen in het Amerikaanse Philadelphia na het nieuws van de wapenstilstand

De recensent vindt het ‘een fascinerend boek’. ‘Hoe verder je komt, hoe meer het werk de vraag oproept of hier een schrijver de juiste vorm koos om een verscheurende ervaring weer te geven, of dat een verscheurende ervaring een nieuwe literaire stijl mee geboren deed worden.’ Wie de uitvoerige biografie heeft gelezen, zal weten dat ook in dit geval de kip de moeder van het ei is én het ei de voortbrenger van de kip. ‘Geen boek om in een ruk uit te lezen, maar knap geschreven, en erg effectief —  hulde voor vertaler Hans Kloos.’

Die vertaler woont in een deel van Nederland waar op 11 november noch het begin van carnaval noch het einde van WOI wordt gevierd. Hooguit belt een kluitje kinderen aan en dan klinkt bij het openzwaaien van de deur: 11 november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje, 11 november is de dag dat mijn lichtje branden mag. Het kluitje hoopt dat het zingprevelen tot snoepuitdeling leidt bij de toegezongene.
Nieuwsbulletins maken gewag van carnaval en het snoepfeestje, maar niet van Armistice Day, ook wel Remembrance Day geheten, de laatste – de meningen verschillen wanneer men ermee moet beginnen – dag waarop in Groot-Brittannië in groten getale de klaproos wordt gedragen om de gevallenen te herdenken. Zelfs voetbalclubs verwerken de poppy tegenwoordig in het shirt. Misschien moeten de Nederlandse media volgend jaar, als het precies een eeuw geleden is dat die wapenstilstand is gesloten, maar eens een ander lichtje laten schijnen.

[De volledige recensie is te lezen op de site van het tijdschrift. Wie meer wil weten over de etiquette van het klaproos-dragen en hoe die weer tot controverses leidt, kan hier meer lezen.]

Meer dan

Auden door Hockney op de omslag van de Collected Poems – al lijkt hij hier weggelopen uit het oeuvre van Peter van Straaten

Ook het NRC heeft Tussentijd inmiddels ontdekt en haalt inleider Mortier aan en W.H. Auden met zijn oordeel dat dit ‘het beste boek over de Eerste Wereldoorlog’ is. Nu ‘voor het eerst, zeer secuur, vertaald in het Nederlands’, aldus de recensente die vooral lijkt te willen zeggen dat het boek groter, rijker is dan in het bestek van de korte recensie is uit te drukken.

‘Het is meer dan het dagboek van een soldaat, meer dan een reeks oorlogsherinneringen, meer dan een verzameling verhalende gedichten, het is alsof je meeloopt op exercitie – in het donker – terwijl Jones minutieus beschrijft wat er voor en wat er achter je gebeurt.’

Al beschrijft Jones gelukkig meer dan alleen het dwalen in het donker, zoals de lezers inmiddels zullen weten. Wie het artikel uit de krant van 27-10-2017 wil lezen, kan dat hier doen.

Verheugend voorbeeld

Het wordt bijna eentonig maar ook in de Volkskrant wordt de loftrompet gestoken over Tussentijd en de vertaling. De papieren editie kopt ‘Knappe vertaling van oorlogsklassieker’, wat de onderkop is in de digitale versie met daarboven: ‘Deze oorlogsklassieker is voor een breder lezerspubliek’.

‘Als Jones’ boek In Parenthesis uiteindelijk verschijnt, is de ontvangst juichend, maar het raakt nooit omarmd door het brede lezerspubliek. Sinds een paar jaar vindt er een rehabilitatieproces rond de schrijver plaats. De zojuist verschenen knappe Nederlandse vertaling van de lyrische roman Tussentijd is daarvan een verheugend voorbeeld.’

De enthousiaste recensent is ook geraakt door Jones’ vooruitziende blik die in dit bericht al ter sprake komt en hij wijst op één van de effecten van het binnenhalen van oudere teksten: “De verwijzingen naar de wereldliteratuur maken beelden soms nog grimmiger dan ze al zijn, zoals die naar Lewis Carrolls Cheshire Cat, wanneer een soldaat door een granaatexplosie wordt onthoofd: ‘zijn gelaat grijnst als de Kolderkat / in alle ijselijkheid. / Het kwam onder hem terecht toen de aarde had gebeefd – en de neuskap schraapte het leer van zijn hiel’.”

Kolderkat

Op zeer veel uitgaven van Alice in Wonderland prijkt de tronie van de Kolderkat. Dit is een moderne schooluitgave.

De Cheshire Cat is een klassiek vertaalprobleem waar elke vertaler Lees verder

Inkomend bericht

Onno Kosters

Onno Kosters

Collega-vertaler en -dichter Onno Kosters, die zelf de allereerste Filter Vertaalprijs ontving voor zijn vertaling van Becketts Watt, stuurde een onverwacht bericht dat we hier graag overnemen:

“Heb vandaag Tussentijd uitgelezen – wilde je even laten weten dat ik zeer onder de indruk ben van het werk & je vertaling.
Heel knap zoals je de bijzondere vorm weet over te brengen, de spreektaal, de neologismen (je vertaling nodigt mij uit eindelijk het origineel te gaan lezen…; heel nieuwsgierig naar de oorsprong van al dat moois), de allusies. De verveling, de angst, de gruwelen van het slagveld, de absurdistisch aandoende discipline, het huilen om de gesneuvelde ezels, de zorg, als je zelf gewond bent, voor je beste vriend: je wapen; het een voor een en allemaal op geheel eigen wijze alsof het eendjes in de schiettent zijn sneuvelen van maten en gabbers. De kleine wereld die zo’n bataljon wordt, inclusief luizen. Je wordt vanaf de eerste kennismaking met de hoofdpersoon onontkoombaar meegezogen richting het onvermijdelijke. En wat een research moet je ervoor gedaan hebben! Hoop dat je genomineerd wordt voor de Filter vertaalprijs.”

 

Aantekeningen II

Wie het origineel en de vertaling naast elkaar legt zal tot de ontdekking komen dat Tussentijd minder aantekeningen telt. Dat is geen slordigheid, maar een resultaat van het vertaalproces. Jones ziet zich hier en daar genoodzaakt sommige in de tekst gebruikte termen uit te leggen omdat ze bijvoorbeeld tot de soldatentaal behoren of Cockney rhyming slang zijn. Een aantal daarvan is in vertaling ook jargon geworden dat wel enige toelichting kan behoeven, maar met name het rhyming slang krijgt in het Nederlands een equivalent dat ook al is het zogenaamd gemarkeerd taalgebruik, niet echt nader verklaard hoeft te worden. En het Nederlands kent nu eenmaal niet zo veel slangwoorden voor thee. Dan wordt het Engelse slang (char) wel verdisconteerd in de vertaling, maar niet zo dat er een aantekening bij moet: ‘Geef die arme theeleut een koppie.’

luitenantsjack

luitenantsjack Britse landmacht

Er zijn in vertaling zelfs twee noten bijgekomen. Eén over lieutenant als de enige Britse rang die niet ook aanspreektitel is en één over Fred Karno en zijn circus die eerst in de volksmond Lees verder

Al van de eerste regel voel je dat je iets bijzonders in handen hebt

Een dag na verschijning van Tussentijd prijkt de eerste recensie in de krant. De Standaard trapt af met een lovende recensie die opent met de titel van dit bericht en recensent Peter Jacobs noemt de Nederlandse vertaling ‘een aartsmoeilijke klus’ en ‘hoogst welkom’. Hij is duidelijk gegrepen door de taal.

‘In Tussentijd hoor je een overtuigende bezwerende stem die zich niet laat temmen. De soms bevreemdend geconstrueerde zinnen klinken als muziek. De taal is een mix van Bijbelse verhevenheid, de lyriek van oude mythen, Cockney, Shakespeare, militair jargon. Het perspectief wisselt snel van ‘zij’ en ‘wij’ naar ‘jullie’, van ‘ik’ naar ‘jij’ en ‘hij’. Flarden conversatie worden onopvallend vermengd met beschrijvingen. De camera zoomt in en uit. De bewegingen zijn als balletten.’

tekening van Jones uit de jaren 1920-21, die De Standaard bij de bespreking plaatste
[© Tate Gallery – the Estate of David Jones]

Wie de hele recensie wil lezen, kan dat hier met abonnement of na registratie gratis doen.

Het doet pijn aan de lippen om te denken aan signaalhoorns

Tussentijd begint met een scène die we inmiddels vooral kennen — welk boek, welke film is daarmee begonnen? — uit latere films: soldaat komt te laat voor het appel en krijgt daarvoor op zijn donder. Zo ook John Ball, het hoofdpersonage. Als hij zich uiteindelijk in het gelid heeft gevoegd, volgt deze passage:

Van waar hij zwaar stond, kon hij halflinks tussen 7 en 8 van de voorste rij het profiel zien van meneer Jenkins en de elegante snit van zijn oorlogskloffie en zijn vlashoofd dat vooruit keek, als de schildknaap op de voorgrond bij San Romano, ongehelmd; maar we hebben nu geen lansen meer geen banieren geen bazuinen. Het doet pijn aan de lippen om te denken aan signaalhoorns — en bliezen ze ‘Overtreders’ op het Uccello-koper?

fragment van Uccello’s schilderij in de National Gallery

In een aantekening noemt Jones het schilderij waaraan hij hier refereert Rout of San Romano. Het is van Paolo Uccello, de schilder en wiskundige uit de Italiaanse Renaissance die nieuwe wegen insloeg in het gebruik en de verbeelding van het perspectief. Tegenwoordig staat het in de Engelstalige wereld vooral bekend als The Battle of San Romano, de slag van San Romano. Rout is een grimmiger woord, dat in deze context eerder afslachting betekent. Nu ligt er recht onder de schildknaap wel een lijk, maar het afslachten gebeurt vooral op Lees verder

Holland is een koude plek

Ergens in deel 3 waar regen, modder en duisternis haast uit de pagina’s druipen, brengt de kou niet alleen lichamelijke ellende, maar ook een herinnering, een flard van een lied.

De geregelde flitsen van geschut waren opgehouden; er was helemaal niets te zien; het regende nog steeds gestaag, uit een heel scheve hoek, waardoor het lijf kletsnat werd; ze passeerden andere lijven, voortkrabbelend, rammelend, doorweekt; westwaarts trekkend, onzichtbaar, ongekend, geen woord over de lippen, geen groet gebracht. Een achterblijver in achtervolging — voortijlende geluidsgeest, hol hoestend van het rennen om weer bij te raken, hoestend zoals vreemden ’s nachts in een andere kamer, in een vreemden-huis; en nog een ander die achter hem aan komt, die nog sneller gaat — die een eind verderop nog aan het hoesten is, hoor je als de wind even stilvalt — zou-ie iets aan moeten doen, even bij de dokter langs, belachelijk als-ie er niks aan doet . . . als je er zo ’s nachts op uit moet. O, een kouder plek waar mijn lief moet dwalen kan er niet zijn — en het is nog vroeg, wacht maar tot maart en lengend licht over het lage lage land.

In de Aantekeningen, waarover later meer, vertelt Jones dat die plek waar mijn lief dwalen moet uit een volksliedje komt, ‘The Low Low Lands of Holland’. Dat maakt een vertaler uit die lage landen nieuwsgierig. En inderdaad is op internet al snel Lees verder